
De ondernemende Fries Ulbe Twijnstra, die al olieslagerijen bezat in Akkrum en Franeker, wilde kort na de Eerste Wereldoorlog een landelijke afzet van zijn producten en zocht voor een nieuw te bouwen fabriek een geschikte locatie in het midden van het land.
In 1921 verrees op een steenworp afstand van Maarssen een moderne fabriek voor de persing van lijnolie en de productie van veekoeken. De fabriek werd grotendeels ingericht en bemand door Friese arbeiders, waarvoor de noodzakelijke huisvesting in het bescheiden Maarssen ontbrak. Met een garantie van de fabriek bouwde de gemeente aan de overzijde van het kanaal een wijkje met kleine arbeiderswoningen, dat tot op de dag van vandaag bekend staat als de Friezenbuurt.
In 1922 werden de eerste huizen gebouwd in de straat die Friezenstraat ging heten. Later werd de buurt uitgebreid met nog 4 straten genaamd Burgemeester Cambier van Nootenstraat, Burgemeester Strick van Linschotenstraat, Burgemeester Eggink straat (Allemaal vernoemd naar oud burgemeesters van Maarssen) en de Kanaalstraat.